O Haupt voll Blut und Wunden

Het koraal van de Matthäuspassion

Geen ander lied is zo nauw verbonden met de Mattheüspassie dan het koraal van Paul Gerhardt: O Haupt voll Blut und Wunden. Het keert maar liefst 4x terug in de Passie, en telkens op cruciale (dramatische) momenten. En wie wordt niet geraakt als na de zin ‘…und Jesus verschied’ het couplet ‘Wenn ich einmal soll scheiden’ wordt aangeheven. Hieronder iets over de oorsprong van dit lied (dat blijkt in de abdij van Villers te liggen) en de bijzondere lotgevallen van de melodie (het is ooit begonnen als een liefdesklacht).

De tekst

Arnulf van Leuven

U zult het misschien niet geloven, maar de geschiedenis van dit wereldberoemde koraal begint als ca. 1200 in Leuven een jongetje geboren wordt: Arnulf is zijn naam. U mag ook zeggen: Arnold, of misschien wel Arnout…. We weten het niet; we kennen hem enkel onder z’n Latijnse naam: Arnulphus Lovaniensis : Arnulf uit Leuven dus. We weten ook niets met zekerheid over hem, behalve dat hij begin 13de eeuw is ingetreden in het Cisterciënzer klooster van Villers, dat toen in volle expansie was. Hij bekleedt de functie van sub-prior en wordt in 1240 tot abt gekozen. In de kroniek van de abdij van Villers wordt zijn ambtsperiode beschreven. In 1248 legde hij zijn ambt neer om zich te wijden aan de studie en de contemplatie. Hij trok zich terug – meldt de kroniek – in het scriptorium.

L'église, vue en coupe
Het klooster van Villers: een reconstructie.

Arnulf maakt dus mee hoe de broeders toestromen en de eenvoudige Romaanse kerk, refter en slaapzaal (en watermolen: geen klooster zonder eigen energievoorziening!) wordt uit/omgebouwd tot de gothische kerk en de indrukwekkende abdij, waarvan u vandaag de ruïnes nog kunt zien nabij het stadje dat door de pioniersactiviteit van de monniken bij het klooster ontstond: Villers-la-ville. Arnulf legt in in 1248 het ambt van abt neer om zich te wijden aan zijn studies. Het ‘management’ (wat een belangrijk deel is van de taak van een abt) leidde hem klaarblijkelijk teveel af van waar zijn hart klopte: het contemplatieve leven: de meditatie van de mysteriën van het geloof. Hij overlijdt wrsch. niet lang nadien. Van hem is één werk bekend: Excerptum Speculi Caritatis (over de liefde, in ’t kort), een strofische bewerking van een theologisch werk van Raymond de Peñafort, Summa Causum. De Latijnse Chronica beschrijft zowel zijn intrede als adolescent, als zijn toch wel onverwachte roeping tot abt. Hij wordt beschreven als een schone jongeling, en een vroom man, die zich verzette tegen uiterlijk vertoon. Gericht op de innerlijke, spirituele opbouw van de gemeenschap.1. Sinds 20ste eeuw wordt hem een voornaam dichtwerk toegeschreven, dat tot dan toe op naam van de Bernard van Clairvaux had gestaan: een strofisch gebed waarin de bidder stilstaat bij het lijden van Christus, middels een meditatie over hoezeer zijn lichaam in elk van z’n delen (ledematen) moest lijden aan het kruis. In het Latijn: Beati Patris Bernhardi Rhytmica oratio ad unum quodlibet membrorum Christi patientis et a cruce pendentis. Het eerste couplet groet Christus als redder der wereld: Salve mundi salutare, en daarna beschouwt de bidder alle getroffen lichaamsdelen afzonderlijk. Als laatste: het hoofd, vol bloed en wonden… (in het Latijn dus). In de 13de eeuw was dit een gedicht vol spectaculaire, nieuwe gedachten. Hier komt Christus als mens centraal te staan, en dan in het bijzonder als mens die ècht geleden heeft. Totdantoe werd toch vooral gefocust op Christus als goddelijke persoon, die onder al dat lijden souverein ‘in control’ bleef. Deze aandacht voor de menselijke kant van de God-mens, deelde Bernard van Clairvaux overigens met die andere dwarse kerkvader: Francesco van Assisi. Hier de opbouw van de oratio (het gebed).

nr.titelbeginstrofe
1Ad pedesvoetenSalve, mundi salutareSei mir tausendmal gegrüsset
2Ad genuaknieënSalve Jesu, rex sanctorumGegrüsset seist du meine Kron
3Ad manushandenSalve Jesu, pastor boneSei wohl gegrüsset, guter Hirt
4Ad latuszijdeSalve latus salvatorisIch grüsse dich, du frömmster Mann
5Ad pectusborstSalve salus mea, deusGegrüsset seist du, Gott mein Heil
6Ad corhartSummi regis cor avetoO Herz des Königs aller Welt
7Ad faciemgelaatSalve, caput cruentatumO Haupt voll Blut und Wunden

De oratio rhytmica

Eeuwenlang is dit gedicht dus aan Bernard van Clairvaux zelf toegeschreven 2 Dat verklaart waarschijnlijk mede de grote populariteit. Tegenwoordig is men het erover eens dat de tekst grotendeels uit de pen van Arnulf van Leuven moet zijn gevloeid.3. Elk van de zeven cycli heeft een ander deel van het lichaam van de lijdende Christus als meditatief onderwerp, resp. de voeten, knieën, handen, zijde, borst, het hart, en het gelaat van Jezus (Ad pedes, Ad genua, Ad manus , Ad latus, Ad pectus, Ad cor, Ad faciem). Zes cycli bestaan uit een 5 dubbelcoupletten van 5 regels, éen (Ad cor) heeft 6 dubbelcoupletten, wat een totaal maakt van 360 regels. Al snel is de tekst verspreid over Noord-West Europa. Ze blijft populair, ook na de Reformatie (aan beide zijden van de kerk-grens). Zéér populair was ze in de zeventiende eeuw onder Duitse Lutheranen. De fysieke (soms sensuele) spiritualiteit van Bernard van Clairvaux c.s. werd door de eveneens zeer fysiek gelovende Lutheranen herkend en gewaardeerd. En als dan ook de band tussen Christus en de gelovige mystiek en persoonlijk gekleurd wordt, zoals in dit lied, dan kan het niet meer stuk. Oecumene avant la lettre dus in de aanbidding van de Gekruisigde. De laatste cyclus, ad faciem (over het gelaat: Salve caput cruentatum), is daarom kunnen uitgroeien tot het meeste bekende koraal uit de Lutherse traditie: O hoofd vol bloed en wonden. Hieronder het eerste vers van de Latijnse hymne… U herkent zonder moeite het eerste couplet van Gerhards koraal. Interessant détail: juist deze beginstrofe schijnt van later datum te zijn. De oudste manuscripten hebben een ander couplet, dat de tweede halfstrofe inleid:
Salve, lesu reverende,
Mihi semper inquirende,
Me astantem hic attende,
Accedentem me accende
Praecordiali gratia.

Salve, caput cruentatum,
Totum spinis coronatum,
Conquassatum, vulneratum,
Arundine sic verberatum
Facie sputis illita
Gegroet, hoofd vol bloed
Geheel met doornen gekroond,
gekneusd, verwond,
Afgeranseld met een riet,
het aangezicht vol spuug.

Dietrich Buxtehude

Wellicht kent u de zeven Passie-concerto’s (of cantates) van Dietrich Buxtehude met de titel: Membra Jesus nostri (BuxWV75). U hebt het al begrepen: Voor de tekst selecteerde Buxtehude uit elk van de cycli van de Oratio Rhytmica drie coupletten en voorzag die van een passende bijbeltekst, waarop hij zijn concerto schreef. Hij droeg die compositie overigens op aan zijn collega Gustav Düben (Stockholm), zonder wiens muziekverzameling het 17de eeuwse Westerse muziekrepertoire dat wij vandaag kennen, beduidend kleiner zou zijn, maar dit terzijde. Uit diens instrumentatie kan men overigens afleiden dat hij ze niet als één concert heeft begrepen, maar ze op aparte momenten heeft uitgevoerd (bijv. op weg naar Goede Vrijdag, elke vesper eentje. Ik denk/droom maar hardop). Hieronder een uitvoering van het zevende concert. Na de instrumentale intro volgt een concerto over de bijbeltekst: Illustra faciem tuam… (Ps 31:17) en dan de Latijnse tekst die de ‘Vorlage’ is van ‘O Hoofd vol bloed en wonden’. (de drie verzen die Buxtehude koos, corresponderen met Gerhardts 1ste , 9de en 10de couplet: O Haupt voll Blut und Wunden, Wenn ich einmal soll scheiden, en Erscheine mir zum Schilde.

VI Ad faciem
Illustra faciem tuam super servum tuum,salvum me fac in misericordia tuaLaat uw gelaat stralen over mij, uw knecht,
en verlos mij door uw genade.
(Psalm 31:17)

Salve, caput cruentatum,
totum spinis coronatum,
conquassatum, vulneratum,
arundine verberatum
facie sputis illita

Gegroet hoofd vol bloed,
geheel met doornen gekroond,
gekneusd, verwond,
afgeranseld met een riet,
het gezicht bespuugd
Dum me mori est necesse,
noli mihi tunc deesse,
in tremenda mortis hora
veni, Jesu, absque mora,
tuere me et libera
Wanneer ik eenmaal sterven moet,
wil mij dan niet verlaten,
in het vreselijke uur van de dood.
Kom Jezus, en wacht niet
bescherm en bevrijd mij.
Cum me jubes emigrare,
Jesu care, tunc appare,
o amator amplectende,
temetipsum tunc ostende
in cruce salutifera.
Als U me beveelt deze wereld te verlaten,
lieve Jezus, verschijn dan aan mij
o, geliefde, die ik omarmen wil.
Toon u dan hoogstpersoonlijk
op het heilzame kruis.
Amen Amen
De autograph van Buxtehude, incl. de opdracht aan Gustav Düben.

Paul Gerhardt

Een kleine 40 jaar voor Buxtehude was de dichter-dominee Paul Gerhardt (1607-1676) ook bezig geweest met oratio rhytmica. Hij moet er ook door aangesproken zijn geweest, want hij heeft maar liefst de volledige tekst (alle zeven cycli) in het Duits vertaald. Voor elke deel koos hij een ander metrum (hoogstwaarschijnlijk een lied). Het geheel, een echt ‘monnikenwerk’ dus, werd in 1656 door de Berlijnse musicus Johann Crüger opgenomen in zijn bundel Praxis Pietatis Melica (een ‘oefenboek om al zingend je geloof te verdiepen’)4 Dit gezangboek is het meest invloedrijke Duitse liedboek van de zeventiende eeuw. Bij elke herdruk werd het volumineuzer en muziekdrukkers uit andere Duitse steden gaven clandestien hun versies uit (Ja, ook piraterij is van alle tijden). In de editie van 1653 (Berlijn) neemt Crüger voor het eerst de 4 eerste delen van Gerhardts berijming over (dus nog niet O Haupt).

Zoals u ziet verschijnt de berijming van Gerhardt in de ‘Anhang’ (p. 944) van de editie van Praxis Pietatis Melica van 1653 (Berlijn). Dit is een ‘geautoriseerde’ editie. Dit doet vermoeden dat Gerhardt gewoon nog niet klaar was met de volledige berijming toen de editie uitkwam. In 1656 verschijnt in Frankfurt een quasi identieke herdruk, waarin de volledige tekst wel schijnt te staan, inclusief O Haupt voll Blut und Wunden (niet geverifieerd). Zoals u ook kunt heeft de berijming van elke cyclus een melodie-aanduiding.

In de editie van 1656 (Frankfurt) staat de volledige berijming van Gerhardt, inclusief O Haupt voll Blut und Wunden. Crüger heeft er geen melodie bij gecomponeerd / gepubliceerd, want dat was niet nodig. De melodie bestond immers reeds. Ik vermoed zelfs dat Gerhardt aan Crüger gewoon verteld heeft welke melodie hij in gedachten had toen hij aan zijn berijming van de zevende cyclus bezig was. De heren waren bevriend, en werkten nauw samen in de Nikolaikerk (waar Gerhardt predikant/diaken was) om de gelovigen te helpen om ook zowel thuis als in de kerk muzikaal hun geloof te kunnen inoefenen en beleven.5 Tot ver in de 18de eeuw is de bundel herdrukt. U ziet hieronder de 39ste druk (1721), met het portret van Crüger erbij. Luthers liederen vormen de kern, maar Gerhardt is een goede nummer twee.

Naast de tekst en melodie-bundel Praxis Pietatis Melica gaf Crüger ook talloze lied- en muziekbundels uit waarin een deel van dezelfde koralen meerstemmig waren getoonzet: tot 8 stemmen toe, inclusief muziekinstrumenten. Wie de moeite neemt om in de bundel wat te bladeren, raakt onder de indruk hoe serieus hier ook de ‘Haus-andacht’ genomen wordt, d.w.z. de ‘godsdienstoefening’ buiten de zondagse erediensten, beoefend in het gezin, of met een vriendenkring. Voor alle gelegenheden (persoonlijk leven, dag/nacht, jaargetijden, kerkelijk jaar etc..) zijn er liederen voorzien. Voor de ‘lijdenstijd’ zijn er zelfs meerdere berijmde ‘Passies’ te vinden (soms om te reciteren, maar ook gezet op de melodie van een bekend gezang). Dat is ook de rubriek waarin ons lied voor het eerst opduikt. Let wel, samen met de 6 andere liederen van Paul Gerhardt over de overige ledematen van de lijdende Christus (op andere melodieën, bijv. ‘O Mensch bewein dein Sünde gross’ voor Gerhardts strofische berijming van ‘Ad cor’ (aan het hart)). Het is een zeer nauwgezette vertaling. Het resultaat klinkt Luthers, orthodox, maar is gelardeerd met een stevige scheut innerlijkheid (of ‘bevindelijkheid’ om een oud-Nederlands woord te gebruiken). Impliciete bijbelse associaties van Arnulf versterkt hij, of maakt hij wat explicieter. En als hij het woord ‘Glaube’ kan invoegen, graag natuurlijk. Ik vind hem bij wijlen plastischer in zijn beschrijving dan Arnulf (die is ‘droog’, opsommerig, descriptief, hoe gruwelijk-realistisch z’n idioom ook is). En – heel knap – hij slaagt erin om het lied te laten eindigen met een citaat van Luther zelf: ‘Wer so stirbt, der stirbt wohl’.

Al dat bloed, moet dat nu?

Inderdaad, er vloeit veel bloed en de beschrijvingen zijn concreet en soms erg kras. Je vraagt je af: wat bewoog die mensen toch om zich zo diep in lichamelijk lijden van de Gekruisigde te verdiepen (empathisch, dat is de bedoeling). Het antwoord: het is een spirituele oefening: Realiseer u ten volle dat Christus lijdt propter nos en pro nobis: d.w.z. Hij lijdt ‘wegens ons’ en ‘ten behoeve van ons’: Dàt hij lijden moet is ‘onze schuld’: Wij zijn de ‘veroorzaker’ van zijn lijden. (Luister naar de tekst van dat andere koraal uit de Matheüspassie Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen van Johann Heermann en u herkent de theologische beweging). En tegelijk is dit lijden dus ‘ten behoeve van ons’ , vóór ons, het brengt ons heil. Luther noemde dat bijna blasfemisch: de vrolijke ruil. Wat Arnulf van Leuven en Paul Gerhardt gemeen hebben, is dat zij zo gefascineerd zijn door dat geloofspunt, dat zij dat gebeuren zich willen toe-eigenen door zich de gekruisigde Christus voor ogen te stellen en zich in te leven in zijn lijden en pijn. Dit gaat zeer ver. Lees de Duitse tekst maar eens helemaal. Verrassend is bijv. het derde couplet, waar Gerhardt de ‘blos op de wangen’ en de ‘rode lippen’ oproept van de gezonde Jezus, om die dan te contrasteren met het lijkbleke gelaat dat hij nu aanschouwt. Wat beiden ook hebben is de bijna verliefde toon: hier zit opnieuw de ‘bruidsmystiek’ achter die Bernard van Clairvaux vanuit het Hooglied in de ziel van zijn volgelgingen heeft geïnjecteerd. Het zesde couplet spant hier wel de kroon: “Ich will hier bei dir stehen…”, waarbij de bidder zich voorstelt dat hij Christus’ lichaam in zijn armen zal nemen, en diens hoofd te ruste mag leggen in zijn schoot.6. In het achtste couplet wordt Jezus ook gewoon als ‘mijn lieve vriend’ aangesproken (in het Latijn: Jesu care). Zo vermenigvuldigen beide bidders eerst de associatieve en empathische gedachten om ze dan te verdichten tot poëzie: Het resultaat is een ‘ritmisch en klankrijk gebed’, doortrokken van een krachtige warme gloed. De titel in Crügers gezangboek maakt de Lutherse lezer trouwens duidelijk dat het hier om een vertaling/bewerking van de Middeleeuwse cyclus gaat. Boven het lied wordt de bron expliciet vemeld: dit is een Duitse versie van de oratio rhytmica van de heilige Bernardus. U ziet het: Lutheranen hadden er geen moeite mee om de heiligen van de kerk te eren, zolang men ze maar niet vereert/aanbidt, en zelf een oordeel mag blijven vormen over hun goede (en zwakke) kanten.

VERTALING van de titel: Van de heilige Bernardus, de Passie-groet aan de ledematen van Christus.
“Aan de voeten van de Heer Jezus” nr. 193, gevolgd door de melodie aanduiging. Afbeelding uit de editie van 1662 (Berlijn)

Boven het laatste, zevende lied lezen we als opschrift:

An das Angesicht des Herrn Jesu
Mel. Herzlich thut mich verlangen.

Daar staat dan ook de melodie die wij (dankzij Bach) zozeer met deze tekst associëren dat we denken dat ze bij deze tekst hoort. Dat is dus niet zo. Het lied is een contrafact gedicht op de melodie van Herzlich tut mich verlangen… Daarover straks meer. Hieronder het volledige lied van Gerhardt (10 strofen) met Latijnse Vorlage. De vetgedrukte strofen worden gezongen in de Mattheüspassie (in een andere volgorde).

U kunt ook de teksten overslaan en naar de uitvoering van de eerste twee strofen gaan luisteren: Klik dan hier

De tekst Latijn-Duits

Oratio Rhytmica: Ad faciemAn das Angesicht des Herrn Jesu
1.
Salve, caput cruentatum,
Totum spinis coronatum,
Conquassatum, vulneratum,
Arundine sic verberatum
Facie sputis illita,
1. O Haupt voll Blut und Wunden,
Voll Schmerz und voller Hohn,
O Haupt, zum Spott gebunden
Mit einer Dornenkron;
O Haupt, sonst schön gezieret
Mit höchster Ehr’ und Zier,
Jetzt aber höchst schimpfieret:
Gegrüßet sei’st du mir!
Salve, cuius dulcis vultus,
Immutatus et incultus
Immutavit suum florem
Totus versus in pallorem
Quem coeli tremit curia.
2. Du edles Angesichte,
Davor sonst schrickt und scheut
Das große Weltgewichte,
Wie bist du so bespeit!
Wie bist du so erbleichet!
Wer hat dein Augenlicht,
Dem sonst kein Licht nicht gleichet,
So schändlich zugericht’t?
2.
Omnis vigor atque viror
Hinc recessit, non admiror,
Mors apparet in aspectu,
Totus pendens in defectu,
Attritus aegra macie.
3. Die Farbe deiner Wangen,
Der roten Lippen Pracht
Ist hin und ganz vergangen;
Des blaßen Todes Macht
Hat alles hingenommen,
Hat alles hingerafft,
Und daher bist du kommen
Von deines Leibes Kraft.
Sic affectus, sic despectus
Propter me sic interfectus,
Peccatori tam indigno
Cum amoris intersigno
Appare clara facie.
4. Nun, was du, Herr, erduldet,
Ist alles meine Last;
Ich hab’ es selbst verschuldet,
Was du getragen hast.
Schau her, hier steh’ ich Armer,
Der Zorn verdienet hat;
Gib mir, o mein Erbarmer,
Den Anblick deiner Gnad!
3.
In hac tua passione
Me agnosce, pastor bone,
Cuius sumpsi mel ex ore,
Haustum lactis ex dulcore
Prae omnibus deliciis,
5. Erkenne mich, mein Hüter,
Mein Hirte, nimm mich an!
Von dir, Quell aller Güter,
Ist mir viel Gut’s getan.
Dein Mund hat mich gelabet
Mit Milch und süßer Kost;
Dein Geist hat mich begabet
Mit mancher Himmelslust.
Non me reum asperneris,
Nec indignum dedigneris
Morte tibi iam vicina
Tuum caput hic acclina,
In meis pausa brachiis.
6. Ich will hier bei dir stehen,
Verachte mich doch nicht!
Von dir will ich nicht gehen,
Wenn dir dein Herze bricht;
Wenn dein Haupt wird erblaßen
Im letzten Todesstoß,
Alsdann will ich dich faßen
In meinen Arm und Schoß.
4.
Tuae sanctae passioni
Me gauderem interponi,
In hac cruce tecum mori
Praesta crucis amatori,
Sub cruce tua moriar.
7. Es dient zu meinen Freuden
Und kommt mir herzlich wohl,
Wenn ich in deinem Leiden,
Mein Heil, mich finden soll.
Ach, möcht’ ich, o mein Leben,
An deinem Kreuze hier
Mein Leben von mir geben,
Wie wohl geschähe mir!
Morti tuae iam amarae
Grates ago, Jesu care,
Qui es clemens, pie Deus,
Fac quod petit tuus reus,
Ut absque te non finiar.
8. Ich danke dir von Herzen,
O Jesu, liebster Freund,
Für deines Todes Schmerzen,
Da du’s so gut gemeint.
Ach gib, daß ich mich halte
Zu dir und deiner Treu’
Und, wenn ich nun erkalte,
In dir mein Ende sei!
5.
Dum me mori est necesse,
Noli mihi tunc deesse;
In tremenda mortis hora
Veni, Jesu, absque mora,
Tuere me et libera.
9. Wenn ich einmal soll scheiden,
So scheide nicht von mir;
Wenn ich den Tod soll leiden,
So tritt du dann herfür;
Wenn mir am allerbängsten
Wird um das Herze sein,
So reiß mich aus den Ängsten
Kraft deiner Angst und Pein!
Cum me jubes emigrare,
Jesu care, tunc appare;
O amator amplectende,
Temetipsum tunc ostende
In cruce salutifera.
10. Erscheine mir zum Schilde,
Zum Trost in meinem Tod,
Und laß mich sehn dein Bilde
In deiner Kreuzesnot!
Da will ich nach dir blicken,
Da will ich glaubensvoll
Dich fest an mein Herz drücken.
Wer so stirbt, der stirbt wohl.

De tekst: Duits-Nederlands

Paul Gerhardt
Vertaling J.W. Schulte Nordholt
(schuingedrukt = DW)
O Haupt voll Blut und Wunden,
Voll Schmerz und voller Hohn,
O Haupt, zum Spott gebunden
Mit einer Dornenkron;
O Haupt, sonst schön gezieret
Mit höchster Ehr’ und Zier,
Jetzt aber höchst schimpfieret:
Gegrüßet sei’st du mir!
1. O hoofd vol bloed en wonden,
bedekt met smaad en hoon,
o hoofd zo wreed geschonden,
uw kroon een doornenkroon,
o hoofd eens schoon en heerlijk
en stralend als de dag,
hoe lijdt Gij nu zo deerlijk!
Ik groet U vol ontzag.
Du edles Angesichte,
Davor sonst schrickt und scheut
Das große Weltgewichte,
Wie bist du so bespeit!
Wie bist du so erbleichet!
Wer hat dein Augenlicht,
Dem sonst kein Licht nicht gleichet,
So schändlich zugericht’t?
2. O hoofd zo hoog verheven,
o goddelijk gelaat,
waar werelden voor beven,
hoe bitter is uw smaad!
Gij, eens in ’t licht gedragen,
door engelen omstuwd,
wie heeft U zo geslagen
gelasterd en gespuwd?
Die Farbe deiner Wangen,
Der roten Lippen Pracht
Ist hin und ganz vergangen;
Des blaßen Todes Macht
Hat alles hingenommen,
Hat alles hingerafft,
Und daher bist du kommen
Von deines Leibes Kraft.
3. De blos op uw wangen
De pracht van uw rode lippen
is weg, geheel vergaan.
De vale macht van de dood
heeft alles weggenomen,
heeft alles weggerukt,
en zo zijt Gij gekomen
Aan ’t einde van uw kracht.
Nun, was du, Herr, erduldet,
Ist alles meine Last;
Ich hab’ es selbst verschuldet,
Was du getragen hast.
Schau her, hier steh’ ich Armer,
Der Zorn verdienet hat;
Gib mir, o mein Erbarmer,
Den Anblick deiner Gnad!
4. O Heer uw smaad en wonden,
ja alles wat Gij duldt,
om mij is het, mijn zonden,
mijn schuld, mijn grote schuld.
O God ik ga verloren
om wat ik heb gedaan,
als Gij mij niet wilt horen.
Zie mij in liefde aan.
Erkenne mich, mein Hüter,
Mein Hirte, nimm mich an!
Von dir, Quell aller Güter,
Ist mir viel Gut’s getan.
Dein Mund hat mich gelabet
Mit Milch und süßer Kost;
Dein Geist hat mich begabet
Mit mancher Himmelslust.
5. Houdt Gij mij in uw hoede,
Gij die uw schapen telt,
o bron van al het goede,
waar uit mijn leven welt.
Gij die mijn ziel wilt laven
met liefelijke spijs,
Gij overstelpt met gaven
tot in het paradijs.
Ich will hier bei dir stehen,
Verachte mich doch nicht!
Von dir will ich nicht gehen,
Wenn dir dein Herze bricht;
Wenn dein Haupt wird erblaßen
Im letzten Todesstoß,
Alsdann will ich dich faßen
In meinen Arm und Schoß.
6. Ik wil hier naast u staan
veracht mij nu toch niet!
Ik wil U niet verlaten
als uw hart het begeeft.
Als uw hoofd verbleekt
in de allerlaatste nood,
dan wil ik u omarmen
en bergen in mijn schoot.
Es dient zu meinen Freuden
Und kommt mir herzlich wohl,
Wenn ich in deinem Leiden,
Mein Heil, mich finden soll.
Ach, möcht’ ich, o mein Leben,
An deinem Kreuze hier
Mein Leben von mir geben,
Wie wohl geschähe mir!
7. Het is mij een vreugde
en doet mijn hart zo’n deugd,
wanneer ik in uw lijden,

o mijn heil, mij zelf zal vinden.
Ach, mocht ik, o mijn leven,
aan de voet van uw kruis
mijn leven uit handen geven:

Hoe goed zou dat voor mij zijn!
Ich danke dir von Herzen,
O Jesu, liebster Freund,
Für deines Todes Schmerzen,
Da du’s so gut gemeint.
Ach gib, daß ich mich halte
Zu dir und deiner Treu’
Und, wenn ich nun erkalte,
In dir mein Ende sei!
8. Ik dank U o mijn vrede,
mijn God die met mij gaat,7
voor wat Gij hebt geleden
aan bitterheid en smaad.
Geef dat ik trouw mag wezen,
want Gij zijt trouw en goed.
Ik volg U zonder vrezen
wanneer ik sterven moet.
Wenn ich einmal soll scheiden,
So scheide nicht von mir;
Wenn ich den Tod soll leiden,
So tritt du dann herfür;
Wenn mir am allerbängsten
Wird um das Herze sein,
So reiß mich aus den Ängsten
Kraft deiner Angst und Pein!
9. Wanneer ik eens moet heengaan
ga Gij niet van mij heen,
laat mij dan niet alleen gaan
niet in de dood alleen.
Wees in mijn laatste lijden,
mijn doodsangst, mij nabij.
O God, sta mij terzijde,
die lijdt en sterft voor mij.
Erscheine mir zum Schilde,
Zum Trost in meinem Tod,
Und laß mich sehn dein Bilde
In deiner Kreuzesnot!
Da will ich nach dir blicken,
Da will ich glaubensvoll
Dich fest an mein Herz drücken.
Wer so stribt, der stirbt wohl.
10. Wees Gij om mij bewogen
en troost mijn angstig hart.
Voer mij uw beeld voor ogen,
gekruisigde, uw smart.
Dan zal ik vol vertrouwen,
gelovig en bewust,
uw aangezicht aanschouwen.
Wie zo sterft, sterft gerust.

De twee eerste strofen gezongen (Collegium Vocale)

Collegium Vocale..
O Haupt voll Blut und Wunden,
Voll Schmerz und voller Hohn,
O Haupt, zum Spott gebunden
Mit einer Dornenkron;
O Haupt, sonst schön gezieret
Mit höchster Ehr’ und Zier,
Jetzt aber höchst schimpfieret:
Gegrüßet sei’st du mir!
O hoofd vol bloed en wonden,
bedekt met smaad en hoon,
o hoofd zo wreed geschonden,
uw kroon een doornenkroon,
o hoofd eens schoon en heerlijk
en stralend als de dag,
hoe lijdt Gij nu zo deerlijk!
Ik groet U vol ontzag.
Du edles Angesichte,
Davor sonst schrickt und scheut
Das große Weltgewichte,
Wie bist du so bespeit!
Wie bist du so erbleichet!
Wer hat dein Augenlicht,
Dem sonst kein Licht nicht gleichet,
So schändlich zugericht’t?
O hoofd zo hoog verheven,
o goddelijk gelaat,
waar werelden voor beven,
hoe bitter is uw smaad!
Gij, eens in ’t licht gedragen,
door engelen omstuwd,
wie heeft U zo geslagen
gelasterd en gespuwd?
De twee eerste coupletten met Nederlandse vertaling (herdichting) door J.W. Schulte Nordholt.

De melodie

Geen enkel koraal associëren wij meer met de Mattheüspassie dan dit lied van Paul Gerhardt. Als we de melodie horen, denken we zelfs automatisch aan deze tekst. Maar dat was in Bach’s tijd (nog) niet het geval. De melodie waar Crüger naar verwijst (Herzlich tut mich verlangen) was behoorlijk populair, en werd gebruikt voor verschillende liederen. Zo bijv. voor Befiehl du deine Wege (ook present in de Mattheüspassie). Dat is geen lijdenslied, geen beklag, integendeel: dat is een lied van vertrouwen. De melodie kan dat ook uitdrukken (kwestie van een passende zetting en een ditto uitvoering). De melodie werd al een halve eeuw gezongen vóór Paul Gerhardt zijn lied dichtte (of beter: dit Passiegedicht schreef – zie boven) en erboven zette dat het gezongen kon worden op de melodie van Herzlich tut mich verlangen. En dan zijn we er nog niet: Ook die tekst is niet degene die bij de oorspronkelijke melodie hoort.

Mein G’müth ist mir verwirret (1601)

Het lied Herzlich tut mich verlangen waar Crüger/Gerhardt naar verwijst, is zelf ook weer een ‘contrafact’, d.w.z. het lied is geschreven op een reeds bestaande melodie. En deze keer geen geestelijk lied, maar een wereldlijk: Mein G’müth ist mir verwirret / Das macht ein Jungfrau zart… Een liefdesklacht van de hand van Hans Leo Hassler. Het stond in Lustgarten Neuer Teutscher Gesäng. Baletti, Galliarden und Intraden met 4, 5 und 8 stimmen  (Nürnberg 1601). U herkent de melodie. Vijf coupletten zijn het, waarin de verliefde jongeman beschrijft hoezeer hij van slag is door het meisje van zijn dromen. Zowel de tekst als de melodie zijn van de hand van Hassler. En we kennen ook de naam van het meisje: Maria… (acrostichon van beginletters van de 5 coupletten). En nee, het is niet de moeder-maagd. Hier hoort u de originele versie.

Uitvoerders zijn mij onbekend. Hierboven de CANTUS (= melodielijn), met rechts de tekst…
Hans Leo Hassler, Lustgarten (1601), nr. 24, transcriptie Christian Mondrup. Afkomstig van de geweldige database aan muziek: imslp. U mag zelf kiezen welke tekst u erop wilt zingen: Hassler, Knott of Gerhardt.

Herzlich tut mich verlangen (1613)

De rest is snel verteld: In 1613 verscheen in Görlitz een bundel met christelijke muziek, te gebruiken thuis en op school (Duitse en Latijnse liederen): Harmoniae Sacrae Vario Carminum Latinorum & Germanicorum genere. Op blz. 455 (afdeling: cantiones funebris, liederen voor bij een begrafenis) staat het lied ‘Herzlich tut mich verlangen / nach einem sel’gen End‘, een lied in de traditie van het ‘ars moriendi’ (de kunst om zalig te sterven’) van Christoph Knott. Bij de tekst staan de vijf stemmen afgedrukt van het lied van Hassler. Zie de afbeeldingen hieronder.

Dit lied is voorzover wij weten het eerste in een hele reeks ‘geestelijke liederen’ gebaseerd op deze wereldlijke melodie. Befiehl du deine Wege was een andere, maar de Bach-tijdgenoot associeerde de melodie waarschijnlijk het sterkt met het boetelied: Ach Herr mich armen Sünder. Gerhardt heeft zijn vertaling (berijming, herdichting) van het zevende deel van Arnulfs meditatie waarschijnlijk gemaakt met deze melodie in zijn hoofd. Tekst en melodie passen namelijk wonderwel.

TERZIJDE: Het is maar de vraag of Gerhardts passielied op de melodieversie uit de Harmoniae sacrae is gezongen (met z’n ternaire ritme, dat overgaat in een maat van twee..). Crüger zelf publiceerde bijv. in 1640 (Neues vollkömliches Gesangbuch)8 van Herzlich tut mich verlangen reeds een versie waarbij het ritme al is gehomogeniseerd. Idem in zijn meerstemmige bundel uit 1649. En niet onbelangrijk: Het is in de isometrische versie van Bach dat de melodie bekend is geworden. In het Liedboek voor de kerken (1973, de tijd van het herstel van de oude melodieën) is de oorspronkelijke melodie van Hassler bij O hoofd vol bloed en wonden afgedrukt. Dit leidde tot heel wat frustratie bij de gemeentezang. In het Nieuwe Liedboek van de protestantse kerken in Nederland staat naast de oorspronkelijke versie nu ook de ‘Bach-versie’ van de melodie (nrs. 576a en 576b). Idem in het gezang van de ‘Evangelische Kirche in Deutschland’)

O Haupt voll Blut und Wunden (Melodie)

De tonaliteit, de sfeer van de melodie zit goed. En er zit een prachtige opbouw in. En zoals het hoort bij een goede dichter volgt ook de opbouw van de tekst de spanningsboog van de melodie. In de melodie is het duidelijk de laatste regel die je het meest naar de keel grijpt. Welnu, ook bij Gerhardt is die regel vaak de climax, de pointe, de conclusie. Het is zelfs zo dat Gerhardt in het eerste couplet het karakterstieke beginwoord ‘Salve’ – wees gegroet, helemaal tot die laatste regel bewaart: Gegrüsset seist du mir… Hij schrijft m.a.w. de hele eerste strofe daarnaartoe. Hetzelfde gebeurt dus ook (zonder dat je je daarvan bewust bent, maar dat is net de kracht van muziek) in de melodie: Ook die toont pas aan het eind haar ‘ware aard’ : Ze is frygisch (kerktoonsoort, met kenmerkende halve toonafstanden). Iedereen die het koraal kent, voelt de enorme kracht van die laatste regel. Muzikaal en dichterlijk komt hier alles samen.9. Ook in het laatste couplet (niet aanwezig in de Mattheüspassie) is dit effect zeer sterk. Een prachtige samenvatting overigens van de strekking van het Goede Vrijdaggebed van zowel Arnulf uit Leuven als Paul uit Berlijn…

Erscheine mir zum Schilde,
Zum Trost in meinem Tod,
Und laß mich sehn dein Bilde
In deiner Kreuzesnot!
Da will ich nach dir blicken,
Da will ich glaubensvoll
Dich fest an mein Herz drücken.
Wer so stirbt, der stirbt wohl.
Wees Gij om mij bewogen
en troost mijn angstig hart.
Voer mij uw beeld voor ogen,
gekruisigde, uw smart.
Dan zal ik vol vertrouwen,
gelovig en bewust,
uw aangezicht aanschouwen.
Wie zo sterft, sterft gerust.

Goede Vrijdag 2021
Dick Wursten

  1. De kroniek is gepubliceerd in de reeks Monumenta Germaniae Historiae, Bd. 25. Daar p. 201 – over zijn intrede in het klooster als jongeling “…, opidani adducentes adolescentem Arnulphum de nomine, pulchrum corpore, moribus ornatum, rogant abbatem pro receptione eius” en 207-209 over Arnulphus als abt en een intrigerende beschrijving van wat hij deed nadat hij zijn ambt had neergelegd in 1248: “Cum autem desiit abbatizare, adeptus est scriptorium, quod est in auditorio prioris; et cum ad omnes horas semper chorum intraret, ad laborem conventus, qui parvus erat, non exibat, sed in scriptorio continue laborabat aut legendo aut orando aut meditando aut scribendo aut confessiones audiendo , ita quod numquam ibidem obdormisse fertur.” En dan volgt er nog iets over een dagelijkse portie wijn – maar dat schijnt uit een latere bron te komen.- 208[]
  2. U moet het daarom zoeken in Patrologia Latina onder zijn naam: Bernardi opera. Patrologia Latina 184, kolom 1319–1324.[]
  3. op één cyclus na: Ad cor, het hart, de enige reeks die niet met ‘Salve’ (gegroet) – begint. Volgens sommigen zijn er ook elementen van bewerking in de andere cycli. Die discussie zal nog wel even doorgaan. Wel zeker: Codex Bruxellensis 4459-70 (datering 1320) geeft vanaf folio 150 een versie van de tekst ingeleid met de woorden: „Oratio, quam fecit dominus Arnulphus de Lovanio, quintus decimus abbas Villariensis“. En hier worden alle zeven lichaamsdelen al genoemd (pectus heeft maar één couplet, maar cor is wel degelijk present. Trouwens: ook genua is veel korter) Deze correctie op de toewijzing stamt van Blume/Dreves, die begin 20ste eeuw een ‘schat aan Latijnse hymnen’ hebben uitgegeven[]
  4. Johann Crüger, 1598-1662, was muziekdirecteur van de Stad Berlijn, cantor van de Skt. Nikolai, en docent aan het gymnasium.[]
  5. Crüger is bijna in z’n eentje verantwoordelijk voor de publicatie van de vele prachtige gedichten/liederen van Paul Gerhardt. Voor meer info: ik schreef in het Gerhardtjaar 2007 een artikel over hem. U vindt het hier.[]
  6. Overigens vertelt de legende over Bernard van Clairvaux dat hem dit ooit in een visioen te beurt is gevallen, dat Christus in zijn schoot heeft gerust: een mannelijke pièta[]
  7. Hier mist Schulte Nordholt de bruidsmystiek: O Jezus, lieve vriend…[]
  8. Newes vollkömliches Gesangbuch/ Augspurgischer Confession, Auff die in der Chur- und Marck Brandenburg Christliche Kirchen/ Fürnemlich beyder ResidentzStädte Berlin und Cölln gerichtet : In welchem nicht allein vornemlich des Herrn Lutheri, und anderer gelehrten Leute/ Geist- und Trostreiche Lieder/ so bißhero in Christl: Kirchen bräuchlich gewesen sondern auch vielschöne newe Trostgesänge/ Insonderheit des vornehmen Theol: und Poeten Herrn Johan Heermans/ zu finden/ mit aussenlassung hingegen der unnötigen und ungebräuchlichen Lieder – In richtige Ordnung gebracht/ und mit beygesetzten Melodien/ nebest dem Gen: Bass, Wie auch absonderlich/ nach eines oder des andern beliebung in 4. Stimmen verfertiget/ Von Johan Crüger/ Direct: Mus: Berol: ad D. Nicol:[]
  9. U kunt hierover meer lezen bij Jan Smelik in het Liedboekcompendium – onderaan de tekst[]

4 antwoorden op “O Haupt voll Blut und Wunden”

  1. Zeer boeiend.
    Weer veel bijgeleerd.
    Bedankt hiervoor.
    Fijn om dit op Goede Vrijdag in mijn mailbox te vinden.

  2. Herzlichen Dank für das sehr interessante musikale – und geschichtsträchtige Material zur Osterzeit. Schon fast eine halbe Dissertation. Wahrhaft eine grosse Forschungsarbeit, die Sie hiermit leisten. Viele Erinnerungen an meinen Konfirmationsunterricht in München tauchen wieder auf. Freude und Wehmut zugleich! – Zu Luthers Zeiten war eine Vervielfältigung von etwa 1300 Exemplaren eines Liedbuches wohl schon eine grosse Leistung. – Bernard von Clairvaux habe ich meistens eher mit den Kreuzzügen in Verbindung gebracht und mit der wunderbarsten Architektur der Cisterciënzer Klöster, die mich immer wieder zum Erstaunen brachte. In Villers-la-Ville jedoch fehlte mir die Fantasie zu einer neu-Konstruktion. Jetzt habe ich eine Vorstellung. Danke! Schade, aber ich kan seit meinem eher kleinen Schlaganfall nicht mehr nach draussen. Es funktioniert zwaar noch alles, mein Gleichgewicht ist jedoch schwerer beschädigt und ich muss mich an allen Ecken und Enden festhalten. Die Musik jedoch ist mir noch immer eine grosse Freude. Radio Klara, Cd’s und Youtube und vor allem Ihre sehr interessanten Vorträge und Erklärungen in die Tiefe der Musik. Freundliche Ostergrüsse und alles Gute in Ihrer weiteren Forschungsarbeit. Grüssen Sie mir mein Deutschland und seine Musik

  3. Beste Dick Wursten,
    Al vele jaren pleeg ik de Goede Week door te brengen in de abdij van Averbode, nadat ik ergens voor Pasen in de Singel de Mattheüs- of de Johannespassie heb mogen bijwonen. Maar voor het tweede jaar op rij is noch het ene noch het andere mogelijk. En dat doet pijn. Maar uw even erudiete als bevlogen toelichtingen leggen balsem op mijn gemoed.
    Hopelijk wordt volgend jaar – Deo volente – weer de onvervangbare fysieke beleving mogelijk. Ook de cantatediensten zijn mij door de jaren heen erg dierbaar geworden, niet alleen vanwege de muziek, maar ook vanwege uw steeds heldere homilieën.
    Zalige en dankbare Paasgroet!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *